Op deze pagina kan je zaken nalezen in verband met juridische feiten rond het thema (kans)armoede.

Anseele Lien

Op de dag van het ongeval (21 januari 1997) was het gezin van de appellante enkel samengesteld uit:
- S.D.S. zelf, geboren op 9 april 1945 en sedert 1975 uit de echt gescheiden;
- en haar enig nog inwonend kind E.M., het op 5 juni 1964 geboren, ongehuwde en kinderloze slachtoffer.
Als enig persoonlijk inkomen genoot S.D.S. ten tijde van het dodelijk arbeidsongeval een bescheiden O.C.M.W.-steun van 20.506 frank per maand. Het ging om het zogeheten "bestaansminimum".
S.D.S. behoorde derhalve ten tijde van het overlijden van haar telg Eric, als ont-vangster van sociale bijstand tot de meest kwetsbaren in de samenleving. Er moet in casu kennelijk en nadrukkelijk worden herinnerd aan de schrijnende en niet negeerbare realiteit dat het bestaansminimum zelf, als minimuminkomenswaarborg, onvoldoende bescherming tegen armoede biedt. Het bedrag van het bestaansminimum volstaat immers niet om bestaanszeker te zijn en er een in onze samenleving als volwaardig beschouwde levens-standaard op na te houden. Aangenomen wordt trouwens dat de grote meerderheid van de bestaansminimumtrekkers met armoede te kampen hebben. Het bestaansminimum garandeert immers slechts uitkeringen die relatief laag zijn en meestal onder de gebruikelijke armoedegrens liggen (cf. ANDRIES, M., Het bestaansminimum als laatste wapen van de sociale zekerheid in de strijd tegen de armoede, B.T.S.Z., 1996, p. 656 & 670).

Balcaen Galina

DE TOEGANG TOT JUSTITIE

10 JAAR NA HET ALGEMEEN VERSLAG OVER DE ARMOEDE

Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting
(vertaling uit het frans)

“De armsten weten niet zo goed wat justitie eigenlijk is. Ze hebben er een blind vertrouwen in. Het gerecht maakt indruk; armen eisen gerechtigheid, net als alle mensen. Ik eis dat de rechtspraak voor iedereen gelijk zou zijn, onafhankelijk van de cultuur, de opvoeding of het maatschappelijk milieu. Ik eis dat de justitie ook oor heeft voor de armsten en hen beoordeelt als verantwoordelijke mensen”.
“Er wordt het meest recht gesproken over mensen aan wie het minst recht gebeurde”

1. HET ‘NIET-BEROEP DOEN’ OP JUSTITIE

Nog altijd hebben burgers moeite om zich tot de rechterlijke macht te wenden. Dit heeft gedeeltelijk te maken met ervaringen die als onrechtvaardig worden beschouwd. Mensen die in armoede leven, hebben vaak hoge verwachtingen ten aanzien van de rechterlijke instantie.
Ze verwachten dat die “hun rechten verdedigt”.

Ze willen dat ‘de rechtspraak rechtvaardig is’, en hun lijden erkent. Vaak echter betekent voor deze mensen een rechterlijke beslissing dat hun rechten hen worden ontnomen. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij een huurder die, op het eind van zijn krachten omdat de eigenaar niets doet aan de slechte staat van zijn woning, het ‘als zijn recht beschouwt’ om zijn huur niet verder te betalen. Er bestaan talrijke gevallen waarin het gerecht de eigenaar toestemming geeft de huurder eruitte zetten, waarna deze geschokt en bitter achterblijft.
Een beroep doen op het gerecht wordt dan alleen maar een stap die geen enkele meerwaarde meer biedt in de dagelijkse ellende.
Burgers die dergelijke negatieve ervaringen hebben meegemaakt, gaan het gerecht, haar structuren en haar vertegenwoordigers wantrouwen.
Sommige magistraten erkennen heel nederig dat er een kloof bestaat tussen de verwachtingen van armen ten aanzien van een “rechtvaardige rechtspraak” en de rol van het gerecht. Ze herinneren echter ook aan de beperkte vrije ruimte ervan: “De rechtspraak, zoals juristen die opvatten, kent geen enkel recht toe; ze erkent het recht als ze dit kan; ze dient om de onwettige hindernissen die het recht in de weg staan, neer te halen. Ze verdeelt geen soep, noch woningen, noch geld, maar woorden: vonnissen, rechterlijke bevelen, veroordelingen.
Elke rechter moet ambtshalve onpartijdig blijven: hij is enkel aan het recht gehouden in zijn beoordeling en moet dus zijn onafhankelijkheid bewaren ten aanzien van druk, zowel van binnen als van buiten de gerechtelijke instantie”.

Een vrederechter uit Brussel is enorm teleurgesteld omdat hij hele dagen lang verstekvonnissen moet uitspreken. Hiervoor kunnen verschillende verklaringen naar voren worden geschoven, maar de context hierboven illustreert in welke mate mensen in een armoedige situatie zich niet echt een ‘rechtspersoon’ voelen, maar eerder het voorwerp van procedures en verschillende vervolgingen, waarbij ze uiteindelijk opgeven. Ze worden in hun dagelijkse leven gedwongen om overlevingsstrategieën te ontwikkelen, maar slagen er daarom niet in om aan alle sociale en financiële verplichtingen te voldoen die de maatschappij van hen verwacht. Hun relaties met het gerecht kunnen daarom bestaan uit talrijke convocaties, nu eens voor een onbetaalde schuld, dan eens voor zwartwerk … Er wordt hierbij geen rekening gehouden met hun globale armoedesituatie, die dus ook geen ‘verzachtende omstandigheid’ kan zijn.
“In tegenstelling tot een sociaal werker, een deurwaarder en een gevangenisbewaarder, onderhoudt de rechter niet-doorlopende contacten met het continuüm van het hoger vermeld leed. Deze worden scheefgetrokken door de bijzonderheid van de rechtsplaatsen en de taal van het recht, gefragmenteerd door de verdeling van bevoegdheden: de ene kent alimentatie-uitkeringen toe, een ander bezoekt soms de woningen waarin ellende huist, een derde sorteert de besluiten die uitsluiting geven van een werkloosheidsvergoeding. De rechter behandelt een omschreven episode, waarvan de oorzaken hem meestal ontsnappen, net zoals het lot en de gevolgen van zijn besluit hem ontgaan”.

In aansluiting hierop wijzen de deelnemers aan het door het Steunpunt georganiseerde overleg er op dat justitie niet systematisch de schade kan herstellen die door de wetgever zelf wordt veroorzaakt in de teksten en beschikkingen die de meest kwetsbare groepen met volle kracht raken: de beperkingen van de overheidsuitgaven inzake gezondheidszorg en onderwijs, de vastlegging van ontoereikende vervangingstoelagen om het hoofd te bieden aan alle uitgaven …
De rechterlijke instantie heeft natuurlijk haar beperkingen, maar ze blijft het belangrijkste instrument om de fundamentele rechten van iemand te doen gelden. Sommige actoren hebben vastgesteld dat een deel van de bevolking geen gebruik maakt van de bestaande structuren, en lanceerden nieuwe initiatieven waarbij men de rechtzoekenden zo dicht mogelijk bij hun woonplaats wil ontmoeten. Met name: de vereniging ‘Droit sans toit’ organiseert kosteloze juridische permanenties in een ruimte in het station Brussel-Centraal. Dit initiatief is het resultaat van overleg tussen daklozen, magistraten en advocaten die bij deze problematiek betrokken zijn.

De gemeente Sint-Gillis biedt de plaatselijke inwoners gratis informatie. In 2004 werden bijna 2000 aanvragen behandeld, waarvan een derde uitging van mensen van andere gemeenten. Dit pleit voor een uitbreiding van deze voorziening.

Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting APRIL 2005 - In samenwerking met Gemeenschappen en Gewesten

Bellas Fojon Cristina

Naar het oordeel van de rechtbank zijn onontbeerlijke uitgaven voor de ontwikkeling van het kind : huisvesting en de bijhorende kosten, de kosten in verband met het schoollopen, de kosten voor voeding, kleding, lichaamsverzorging en medische verzorging.
Aldus is het naar het oordeel van de rechtbank onmogelijk om te voldoen aan de door het Arbitragehof gestelde voorwaarde dat de ouders geen (indirect) voordeel mogen putten uit de steunverlening aan de kinderen.
Door te beslissen dat de kinderen gerechtigd zijn op huisvesting, genieten de ouders automatisch op indirecte wijze van deze steunverlening. De andere oplossing, welke zou leiden tot een scheiding van de ouders van hun kinderen, is immers niet verzoenbaar met artikel 8 ( het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven) en artikel 3 ( het verbod van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling).
Uit het sociaal onderzoek blijkt dat de verschuldigde huur 378,50 EUR bedraagt terwijl er tweemaandelijke voorschotfacturen LUMINUS zijn ten bedrage van 158,26 EUR.
Het gezin waarin de moeder met haar drie zonen, waaronder de minderjarige x, leeft, heeft verschillende schulden : de huur is al vier maanden niet betaald, en momenteel wordt geen electriciteit en gas betaald, waardoor de kans op afsluiting dreigt.
Het huis wordt goed onderhouden door het gezin maar de armoede is zichtbaar.
xvolgt les in het x Er is een studiebeurs aangevraagd maar nog niet uitbetaald.
De buzzypas van de zoon vervalt op 6.4.2004.
x maakt zich ook zorgen in verband met zijn schoolboeken, alsmede omtrent zijn eindwerk, waarvoor hij Internet nodig heeft, hetgeen hem 2,50 EUR per sessie kost.
Uit het sociaal onderzoek blijkt dat eisende partij niet in staat is in het onderhoud van x te voorzien, en dat er met name niet kan gezorgd worden voor zijn specifieke behoeften met het oog op een menswaardig bestaan.
Dit houdt evenwel niet in dat eisende partij recht heeft op het equivalent leefloon als gezinshoofd.
Het zou immers niet redelijk zijn, de vreemdelingen die zich niet hebben gedragen overeenkomstig de bestaande verblijfsreglementering, doordat ze geen gevolg hebben gegeven aan een bevel om het grondgebied te verlaten, verschillend te behandelen naargelang ze al dan niet door hun minderjarige kinderen zijn vergezeld.
In deze omstandigheden meent de rechtbank dat aan eisende partij, ten voordele van haar minderjarige zoon x, voor de periode van 1.10.2003 tot en met 12.3.2004, de gewaarborgde kinderbijslag kan toegekend worden, alsmede een bedrag van 430 EUR steunverlening, welk bedrag in de lijn ligt van het equivalent leefloon samenwonende.
De rechtbank verzoekt het O.C.M.W. evenwel erop toe te zien dat deze steunverlening, niet wordt afgewend van de doelstelling, met name te voorzien in de onontbeerlijke uitgaven ten behoeve van het minderjarige kind.
Alle verdere en/of tegenstrijdige argumenten in conclusies of mondeling geformuleerd, worden verworpen.
Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, statuerende op tegenspraak,
Na beraad,
Verklaart de vordering ongegrond voorzover ze betrekking heeft op het verzoek tot steunverlening op basis van de procedure artikel 9 par. 3 van de Vreemdelingenwet.
Verklaart de vordering gedeeltelijk gegrond inzover ze betrekking heeft op de ingeroepen steunverlening ten voordele van de minderjarige x
Zegt voor recht dat aan eisende partij, ten voordele van haar minderjarige zoon Fx, voor de periode van 1.10.2003 tot 12.3.2004, de gewaarborgde kinderbijslag kan toegekend worden, alsmede een bedrag van 430 EUR steunverlening per maand.
Veroordeelt het O.C.M.W. van en te x, in betaling aan eisende partij, van de gewaarborgde kinderbijslag en een maandelijkse bedrag aan steunverlening van 430 EUR, met betrekking tot de periode van 1.10.2003 tot 12.3.2004.
Zegt voor recht dat eisende partij uit dezen hoofde geen verdere rechten op steunverlening kan laten gelden vanaf 12.3.2004.
Veroordeelt het O.C.M.W. van en te x, in betaling van de kosten van het geding, in hoofde van eisende partij vastgesteld op het door haar begroot bedrag van 96 EUR rechtsplegingsvergoeding en niet vastgesteld in hoofde van verwerende partij, bij gebreke aan afgifte van een omstandige kostenstaat.
Aldus gevonnist en uitgesproken door de Tweede Kamer van deze rechtbank in openbare zitting de 16 april 2004

Bernard Nick
Coopman Fauve
Uit de lijst bij het K.B. van 28 maart 1969 betreffen ook de infectieziekten bij niet-verplegend personeel dat, nl. in de woning van hun patiënten of cliënten, met hen in contact komt en waarbij een verhoogd risico bestaat.

Zowel vzw S. als vzw C. vermelden de evolutie van residentiële zorg naar ambulante zorg, waardoor zo begrijpt de rechtbank het - meer personen met een handicap die vroeger in een instelling leefden nu alleen en zelfstandig gaan wonen zodat een aantal risico's die vroeger binnen de instel-ling bleven, en wellicht beter onder controle konden gehouden worden, nu ook in normale woon-omstandigheden kunnen voorkomen.
Vzw C. voegt er aan toe dat de gehandicapten die begeleiding nodig hebben juist deze zijn met een extra problematiek zoals kansarmoede.

Declercq Stein
Florizoone Thierry
Geenens Yani
Gérard Julie
Hierbij geef ik een korte weergave van een vonnis die werd uitgesproken in De Rechtbank van Eerste Aanleg in luik op 19 mei 1988. Het vonnis gaat over een verstandshuwelijk, en dit gaat onrechtstreeks ook over armoede in dit vonnis.

HUWELIJK. - GELDIGHEIDSVOORWAARDEN. - VEINZING. - Verstandshuwelijk. - Geen veinzing.
Het huwelijk van een Belgische man met Mauritiaanse vrouw die hij via een advertentie ontmoette en met wie hij trouwde om aan de eenzaamheid te ontsnappen, terwijl zij gehuwd is om aan armoede te ontsnappen, is niet geveinsd: een verstandshuwelijk is geen schijnhuwelijk.